Voorwaarts MARS!
Nederlandse Vereniging voor Militaire Levende Geschiedenis
maandag, 1 december 2008
Menu
Home
Actueel
Evenementen
Fotogalerij
Links
Contact
Zoeken
Who's Online
Nu 11 bezoekers online
Statistics
Bezoekers: 894292
Members
Member Login
Login
Gebruikersnaam

Wachtwoord

Gegevens onthouden
Wachtwoord vergeten?
Cancel
Home arrow Artikelen arrow Geschiedenis en Uniformen van het Noord-Nederlandse Bataljon Infanterie van Linie nr.2
Geschiedenis en Uniformen van het Noord-Nederlandse Bataljon Infanterie van Linie nr.2 Afdrukken E-mail
Artikel index
Pagina 1
Pagina 2
Pagina 3
Pagina 4
Pagina 5
Pagina 6

III. De Uniformen

Het uniform van het Noord-Nederlandse BI2
Het was in december 1813 binnen 3 weken mogelijk om een bataljon van 4 compagnieën van het Regiment Van Phaff te kleden en uit te rusten. Uniformen waren dus ruim voorradig: van het 1Bat/Oranje Legioen, het latere Noord-Nederlandse BI7, is bijvoorbeeld bekend dat elke soldaat 3 paar schoenen had ontvangen, waarvan 1 paar in het depot moest achterblijven (tot ongenoegen van de soldaten). De manschappen zullen uniformen van Britse makelij hebben ontvangen, omdat de Britse regering ogenblikkelijk zendingen stuurde om de nieuwe eenheden te kleden en te bewapenen. Er is een verhaal dat zou bewijzen dat de eerste Nederlandse liniebataljons in het voorgeschreven blauw waren gekleed: het betreft een verhaal dat een zending rode uniformjassen door het provisioneel bestuur zou zijn toegewezen aan de bataljons Landmilitie (later Nationale Militie), omdat er was bepaald dat de Staande Armée juist in het donkerblauw gekleed zou moeten gaan. Naar het schijnt reageerde de Britse regering nogal verbolgen: men nam het de Nederlanders zeer kwalijk dat een zending prima uniformen verspild werden aan “the peasantry” (hiermee geringschattend op 45 bataljons Nationale Militie doelend). Dat de zendingen niet altijd even deugdelijk waren blijkt onder meer uit het feit dat duizenden Engelse geweren, zgn. “Brown Bess” musketten, veelvuldig dienden te worden gerepareerd. Ook de houten tonnetjes die als veldflessen werden gestuurd bleken ondeugdelijk; dezen zijn wel gebruikt, maar later veelal vervangen door blikken exemplaren.
In 1814 werd de Noord-Nederlandse infanterie in blauwe uniformen “van Brits model” gekleed, met kragen, mouwopslagen, voering en paspellering in de bataljonskleur. Per 2 bataljons werd een kleur bepaald, te weten: bataljons nr. 1 en 9 – oranje, 2 en 10 – geel, 3 en 11 – wit, 4 en 12 – ponceaurood, 5 en 13 – scharlakenrood, 6 en 14 – lichtgroen, 7 en 15 – lichtblauw, 8 en 16 – roze. Grijze pantalon en zwarte slobkousen voor winterdracht, witte linnen pantalon en slobkousen voor zomerdracht (hoewel bij de witte pantalon regelmatig de zwarte slobkousen worden gedragen, en andersom). De sjako was (vermoedelijk) van Oostenrijks model met geelmetalen plaat, waarop een gekroonde ‘W’, daarboven een oranje kokarde met kleine uniformknoop en pompon. Naar het schijnt werden er pompons in verschillende kleuren gebruikt voor de verschillende compagnieën. Op 9 januari 1815 werden nieuwe uniformen voorgeschreven, te weten: donkerblauwe jas van Brits model, maar met gesloten kraag en sluitend met 9 geelmetalen knopen waarop het bataljonsnummer is weergegeven; kraag, ronde manchetten en paspellering wit, voering ponceaurood. Manchetten sluitend met gulp met 3 kleine uniformknopen. Sjako van Oostenrijks model met oranje kokarde onder een messing lis en een witte pompon daarboven, rondom een geelmetalen ‘diamantvormige’ plaat (zoals die in Teupken wordt afgebeeld, zijnde een geelmetalen band rondom de onderzijde, aan de voorzijde omhoog komend in een punt). Er zijn echter ook prenten bekend waarop de sjako wordt afgebeeld met geelmetalen plaat met gekroonde ‘W’; wellicht werden eerst de oude platen afgedragen,zoals voorgeschreven werd in december 1815 toen alle bataljons infanterie en Jagers van de Nationale Militie en de Staande Armée werden samengevoegd tot “Afdeelingen Infanterij”. Vast staat dat al in in 1816 voor alle korpsen te voet een nieuw model sjako is voorgeschreven; wellicht dat de diamantvormige plaat toen alsnog algemeen is ingevoerd.
Flankcompagnieën werden onderscheiden door zgn. ‘wings’, een soort donkerblauwe schouderstukken met een versiering in de uitmonsteringkleur (voor de linie-infanterie wit); en door een witte pompon met groene top. Of deze uniformen meteen zijn ingevoerd is niet bekend; het zou kunnen betekenen dat het BI2 haar oude uniformen heeft afgedragen, en dat nieuwe rekruten meteen in de nieuwe uniformen werden gestoken.

Afwijkingen op de voorschriften
Na de Waterloo-campagne en de bezetting van Parijs worden alle bataljons geïnspecteerd. In 1816 volgen naar aanleiding hiervan een aantal verordeningen die voor meer uniformiteit zorg moeten dragen, en afwijkingen van de voorschriften moeten uitbannen. In de circulaire van 20 maart 1816 staat aangegeven:
“Orders voor de Algemeene uniformiteit in de kleding en het equipement van het leger, bevattende hoofdzakelijk:dat de […] flankeur kompagnien, behalve de wings, geene verdere distinctieve zoo als leeuwen-koppen, granaten, hoorns; […].”

Hieruit kunnen we afleiden dat de flankeurs van de verschillende bataljons onofficiële versieringen droegen, en dat de aanduidingen grenadiers en voltigeurs nog werden gebruikt, ondanks dat dit van hogerhand niet meer gebeurd. Op 28 juni volgt nog een “Nadere verordening voor de eenvormigheid in de kleeding en equipering; inhoudende: explicatie der order nopens de distinctieve teekenen van de flankeurs; […]”.
Op contemporaine prenten zijn een aantal van deze afwijkingen te zien, bijvoorbeeld op afbeeldingen van de Nationale Militie: voor de Bataljons Nationale Militie werden dezelfde onderscheidingstekenen voor flankeurs voorgeschreven; maar er zijn voorbeelden bekend van witte pompons met rode top i.p.v. wit met een groene top. Een schilderij van Matthieu van Bree, voorstellende de Prins van Oranje bij Waterloo, laat een compagnie flankeurs zien, zonder wings, maar met geheel oranje epauletten en rode pompons. Langendijk toont een flankeur met de voorgeschreven wings, maar ook met een oranje bies op de pantalon. Een prent van de Franse graveur Genty, gemaakt ten tijde van de bezetting van Parijs in juli 1815, toont een flankeur van de Militie met een rood-groene verenpluim en rode epauletten met groene halvemanen, welke typisch Franse onderscheidingstekens zijn (de pluimen en epauletten zouden zijn geconfisceerd uit Franse magazijnen); het onderschrift geeft aan dat het om een ‘grenadier’ zou gaan, hoewel het waarschijnlijker is dat het een voltigeur betreft. En een afbeelding van een korporaal van de Compagnie Vrijwillige Flankeurs van het BJ16 laat zien dat zij op de pantalons gele biezen droegen. Dergelijke afwijkingen in de uniformering kwamen ook voor bij de Bataljons Infanterie van Linie. Hoewel de term ‘grenadiers’ dus officieel niet werd gebruikt, werd de term onofficieel wel gebruikt, wat in de afwijkingen in de voorschriften tot uiting kwam. In de exercitie van 1815 staat in de pelotonsschool omschreven in de “Verordeningen omtrent het Schieten naar de Schijf”: “Alle de korporaals, grenadiers en fusiliers zullen ieder jaar tot dit onderwijs overgaan […].” Maar op de betalingslijsten van het fonds 1815 wordt voor de flankcompagnieën bij zowel de linie, jagers als militie gesproken van ‘flankeurs’. Dat de term vrij algemeen gebruikt werd blijkt o.m. in de mémoires van luitenant Scheltens van het Zuid-Nederlandse BI7, waarin duidelijk over grenadiers wordt gesproken. De term flankeur of flanqeur werd met name gebruikt om de lichte compagnie (voltigeurs) aan te duiden. Aangezien het de bedoeling was om bij elk bataljon voortaan 2 lichte compagnieën toe te voegen i.p.v. 1 lichte, en 1 grenadiercompagnie werd de term officieel niet meer gebruikt. Gedurende de Napoleontische oorlogen was het al gebruikelijk geweest om de compagnieën grenadiers en voltigeurs beide als lichte infanterie in te zetten; vaak opereerden ze samen in het veld of bij een bestorming, zoals door J. Koch in veelvuldig zijn memoires wordt beschreven (Koch diende in 1Bat/RI2 als onderofficier der grenadiers gedurende de campagnes in Spanje, 1807-1814). In het nieuwe Nederlandse leger werd daarom besloten om de uiterlijke verschillen tussen beide compagnieën dan ook te laten verdwijnen; er werd sterk benadrukt dat deze compagnieën zichzelf niet meer als elite mogen aanduiden. Het zal nog enige tijd hebben geduurd voordat men in het leger, dat van oudsher altijd zeer behoudend was - en is, -  deze omslag zou kunnen maken.




www.voorwaartsmars.com