|

Onze werkgroep beeldt een Staatse Compagnie uit, uit de eerste helft van de 17de eeuw, zoals die gevochten heeft onder Maurits en Frederik Hendrik. Hoewel compagnieën eigenlijk bestonden uit zowel musketiers als piekeniers, concentreren wij ons met name op het uitbeelden van de laatste groep, aangezien die in de Nederlandse levende geschiedenis nog nauwelijks aan bod komt. Mensen die toch graag specifiek musketiers willen uitbeelden, zijn echter van harte welkom. We hebben er al enkele in onze gelederen en bij een voldoende aantal zullen zij een detachement op de flanken van de piekeniers gaan vormen, zoals dat destijds ook gebruikelijk was.
De oprichting van een compagnie Hoewel de soldaten uit het begin van de 17de eeuw meestal aangeduid worden met 'huurlingen', kun je beter spreken van beroepssoldaten die zich verhuurden waar en aan wie ze dat wilden. Wanneer er troepen nodig waren, kregen kolonels (als een soort 'vrije ondernemers') het verzoek een regiment op te richten tegen een vooraf met de Staten afgesproken bedrag. Deze kolonels gaven de opdracht vervolgens door aan eveneens zelfstandig werkende kapiteins. Die formeerden hun eigen compagnie, tussen de 60 en 120 soldaten groot. Acht tot twaalf compagnieën samen vormden vervolgens het regiment van de kolonel, die zelf ook een compagnie inbracht. Aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog werden de troepen veelal tijdelijk geworven, bijvoorbeeld voor een zomerseizoen. Onder Maurits ontstond het eerste staande leger, dat het hele jaar door paraat bleef en doorlopend werd geoefend. Uitrusting van de piekenier Het belangrijkste wapen van de piekenier was - de naam zegt het al - de piek, destijds vaak nog spies genoemd. Deze 4 tot 5 meter lange piek was zeer geschikt om de vijandelijke cavalerie op afstand te houden en werd daarnaast ingezet in het man tegen man gevecht als de strijdende partijen elkaar dicht genoeg waren genaderd. De piekeniers stonden opgesteld in blokken van acht diep en zo breed als de gevechtssituatie vereiste, waarbij compagnieën en regimenten hun piekeniers samenvoegden. Wanneer de eerste vier of vijf rijen van piekeniers gelijktijdig hun wapen naar voren staken, ontstond er een haast ondoordringbare haag van scherpe punten. Degens, dolken en kurassen Wanneer de rijen in het strijdgewoel verstoord raakten, of de pieken gebroken werden, trok de piekenier zijn degen. Dit rechte zwaard werd gebruikt om zowel mee te steken als te houwen. Het echte 'schermen', werd op het slagveld niet of nauwelijks gedaan. Deze kunst, die jarenlange oefening en dure lessen vroeg, was voorbehouden aan officieren en edelen. Als laatste wapen droegen de soldaten een dolk, gestoken achter de broekriem. Om zich te beschermen tegen kogels, zwaardhouwen en pieksteken, droeg de piekenier een helm en een kuras met beenplaten, de zogenaamde tasseletten. Al met al was de piekenier dus zwaarbewapend én zwaar beladen! Een piekenier uitbeelden vraagt dus ook om een zekere lichaamskracht en -beheersing. Ben je geïnteresseerd geraakt? Wil je meer weten of zelfs een keer mee komen doen? Je bent van harte welkom! Neem contact op met Sebastiaan Fluitsma, Sergeant/coördinator werkgroep Tachtigjarige Oorlog |